Romeinse weg

Romeinen waren meesters in de bouwkunst. Niet alleen bij gebouwen: ook in de wegenbouw blonken ze uit. Ze legden bruggen, dammen en tunnels aan, schijnbaar met het grootste gemak. Dankzij deze wegen konden de Romeinen zich snel verplaatsen naar alle uithoeken van hun enorme rijk.

Romeinse wegen
Romeinse snelwegen hadden meestal een solide fundering, een verhard wegdek en een greppel langs de kanten voor de afwatering, zodat de weg altijd goed begaanbaar was. De verharding van het wegdek was afhankelijk van het materiaal dat in de omgeving voorhanden was: in zuidelijke landen natuursteen, in onze streken vooral grint en aan de kust zelfs schelpen.

Een snelle manier van reizen
De Romeinen legden de wegen in eerste instantie aan voor het leger, zodat legioenen zich snel konden verplaatsen. Een getrainde soldaat kon, met volle bepakking, dagelijks 25 tot 30 kilometer marcheren. Als het moest zelfs 40 kilometer: erg snel voor die tijd! De wegen werden ook gebruikt door koeriers te paard. Zij brachten belangrijke berichten naar de gouverneurs en legerofficieren. Zo kon het immense Romeinse Rijk ook zonder moderne communicatiemiddelen als telefoon en e‐mail goed worden bestuurd.

Ook burgers en kooplieden maakten dankbaar gebruik van het Romeinse wegennetwerk. De wegen verbonden alle belangrijke plaatsen in het Romeinse Rijk en boden een snelle, veilige en relatief comfortabele manier van reizen. Handelaars brachten hun waren over grote afstanden, en droegen daarmee bij aan een tot dan toe ongekende culturele uitwisseling.

Romeinse ingenieurskunst
Sommige doorgaande wegen uit de Romeinse tijd zijn ‐ met een aantal aanpassingen - nog steeds in gebruik. De meeste Romeinse wegen zijn echter in de Middeleeuwen in verval geraakt, omdat reizen over land te gevaarlijk werd. Pas rond het jaar 1800 was het wegennet in Europa weer even uitgebreid als in de Romeinse tijd. Dat zegt wel iets over de Romeinse ingenieurskunst.

Legenda