Bottervloot

Elburg is van oudsher een handelsstad met een eigen vissersvloot. Vanaf 1750 maken de lokale vissersschepen een eigen ontwikkeling door. Het resultaat is een nieuw type schip; de botter. Botters visten vooral op de voormalige Zuiderzee. Tegenwoordig varen er nog enkele tientallen, door liefhebbers gekoesterd en gebruikt voor de pleziervaart.

Botter
Botters zijn snelle zeilschepen en bij uitstek geschikt om te varen in de ondiepe wateren van de Zuiderzee. De schepen hebben een platte bodem en hoekige kimmen die overgaan in bol lopende zijden. De botters zijn uitgerust met een bun, een opslagplaats voor vis aan boord. De bun is zo gemaakt dat via gaatjes in de scheepswand steeds vers water kan toestromen. De zeilen van een botter zijn van oudsher bruin omdat ze zijn bewerkt met taan, een ontsmettende bruingele verfstof die het doek beschermt tegen weersinvloeden.

Handelsstad
In de Middeleeuwen was Elburg een welvarende stad, mede dankzij de samenwerking met andere handelssteden in Noordwest-Europa in het zogenoemde Hanzeverbond, waar Elburg in 1356 lid van was geworden. Nadat de handel inzakte, was de stad bijna helemaal aangewezen op de visserij. Karakteristieke plekken aan de oude binnenhaven zijn dan ook De Kop van ’t Ende als haveningang, de Vischpoort, de visafslag en de Werf Balk.

Registratiecode
Vanaf 1822 was het wettelijk verplicht om als vissersschip een registratiecode te voeren. Botters uit Elburg kregen dus allemaal de letters EB met een nummer, zoals de EB29 uit 1920, die onlangs is gerestaureerd. Elburg werd in 1956 afgesloten van open water en kwam door de inpoldering van oostelijk Flevoland aan het Veluwemeer te liggen. Zo verdween de visserij. De Stichting tot Behoud van Elburger Botters probeert nog iets van de historische luister van Elburg te behouden door twaalf botters in de vaart houden.

Legenda